Lachen om of uitlachen

Een van de meest humorvolle situaties op school vond zo’n enkele jaren geleden plaats.

De school – waar ik parttime werkte – staat in het centrum van Rotterdam. Dientengevolge bestond het leerlingenbestand voor vijftig procent uit kinderen die uit Suriname afkomstig waren. De andere helft omvatte zo’n vijf en dertig andere nationaliteiten.

Daar de meeste kinderen uit gezinnen kwamen waarvan de beide ouders werkten,  bleef bijna elk kind over. Op de speelplaats speelden in de middagpauze zo’n twee honderd kinderen.

Rondom de speelplaats bevond zich een hoog hek. Geen enkel kind waagde het de speelplaats te verlaten of over het hek te klimmen. Dikwijls stonden pauzerende voorbijgangers naar de spelende kinderen te kijken, Velen hielpen over het hek getrapte ballen of weggerolde knikkers te halen, daar het de kinderen verboden was (uit veiligheidsoverwegingen) zelf hun speelgoed te pakken dat buiten het hek gekomen was.

Tijdens de pauze op die bewuste middag werden we binnen opgeschrikt door een immens lachsalvo, afkomstig van de speelplaats. Alle kinderen verdrongen zich tegen de hekken.

Tot onze grote verbazing stond daar een keurig geklede dame met de kinderen te praten, waarna zij, kennelijk voor de tweede keer, zich omdraaide, haar rokken optilde en een kraakheldere witte onderbroek toonde.

Een komiek had geen groter succes kunnen hebben. Weer weerklonk een lachsalvo en tientallen kinderen sloegen zich op de benen en rolden zelfs over de grond van het lachen. Dit tot groot verlegenheid van de surveillerende leerkrachten.

Tevergeefs trachtten wij de kinderen bij de hekken weg te halen.

Ze hoorden ons niet eens.

Een woordeloos samenspel ontstond tussen de oude dame en de honderden kinderen. Tevreden keek zij naar de lachende kinderen; herhaalde nog enkele malen haar handeling en stak toen de straat over.

Aan de overkant aangekomen plaatste zij daarna omzichtig haar tas op de grond, tilde toen behoedzaam de voorkant van haar rok op en toonde zich links en rechts aan de toekijkende voorbijgangers, maar vooral aan de kinderen. Spontaan brak er een applaus los. De oude dame boog diep, pakte met zwier haar tas op en liep weg zonder om te kijken.

Nog nalachend kwamen de kinderen binnen.

Hoe moet je als leerkracht met zo’n situatie omgaan vanuit echtheid?

Het zien van de lachende, over de grondbuitelende kinderen, had onszelf zo doen lachen dat de tranen over onze wangen rolden. Toch voel je je een beetje schuldig, omdat je een kennelijk dementerende dame hebt uitgelachen.

Ik besloot het probleem aan de kinderen voor te leggen.

“Ze doet het toch zelf”, vond de een. “Ze vond het zelf ook leuk”, kwam een ander. “’t zal je oma zijn”, sprak een derde. Even werd iedereen stil.

Ik vertelde dat ik ook erg had moeten lachen, maar dat ik me ook een beetje schuldig voelde. Hoe ga je met zo’n situatie om?

“Ik vind het zielig”, vond een klein meisje.

“Joh, die mevrouw was toch niet wijs; wat geeft het dan? Ze vond het toch leuk.” Een heftig gesprek ontspon zich. Moet je anders omgaan met iemand die niet wijs is?  Is je eigen gevoel over zoiets belangrijk of het gevoel van het slachtoffer?

Een opmerking trof me. “Juf, we lachten haar niet uit, wij lachten om haar”. Inderdaad, daarom twinkelden er sterretjes boven hun hoofden, toen zij lachten. “t Was een samenspel tussen onbevangen zielen geweest.

We kwamen tot de conclusie dat je wel mag lachen om iemand, maar niet iemand mag uitlachen. Dat het niet uitmaakt of je lacht om iemand, die verstandelijk gehandicapt is of “normaal”. Een mens is een mens, of  ’t nu een verstandelijk gehandicapte,  een volwassene of een  kind is.

“Als iemand door jouw lachen minderwaardig wordt, moet je je lachen inhouden” vond er een. “Werd deze mevrouw minder waard door ons?” vroeg ik. “Nee”, riep de hele klas. “Het was een heel leuke mevrouw”, merkte een van de kinderen op. Ik hoop dat ze nog eens langs komt.

“Misschien doet ze haar broek dan wel uit”, grinnikte een baldadige jongen.

Maar goed dat er ook rekenboeken zijn op school, want die liet ik ze gauw op de bank nemen, zodat ze allemaal met hun hoofd in de kastjes moesten kijken en zo mijn rood aangelopen gezicht van het ingehouden lachen, niet konden zien.

Die middag heerste er een ontspannen vrolijkheid. Zelfs de moeilijkste hoofdrekensommen werden met plezier gemaakt en dat wil wat zeggen….

 

Anna Lamb

Reacties zijn gesloten.